Ondertussen, in de stad die alleen bestaat als de maan schuin staat, probeerde Barnaby zijn hoed zo strak mogelijk op te zetten om de leegte op de vloer te negeren. Hij polijstte een herinnering aan een blauwe knoop uit 1954, maar zijn vingers trilden. Zonder schaduw voelde hij zich minder als een architect en meer als een onafgemaakte schets.
Schim solliciteerde die middag. Hij gleed langs een muur, achter een denkbeeldige detective die zijn revolver trok. Maar Schim was te scherp, te donker. De regisseur riep: “Te veel contrast! We willen mysterie, geen silhouet van een droom!” Schim werd afgewezen. Hij was te ‘luchtig’ voor de zware zwart-witwereld.
Teleurgesteld maar wijzer, keerde Schim terug tegen het vallen van de avond, toen de maan precies in die schuine hoek stond. Barnaby zat op de grond, verhalen te vertellen aan een lege paraplu. Schim gleed geruisloos terug onder Barnaby’s voeten, net toen de luchtarchitect zei: “…en daarom, mijn beste Schim, is een knoop eigenlijk een gevangenis voor een jas.”
Barnaby voelde de vertrouwde kou aan zijn hielen. Hij glimlachte, trok zijn hoed iets rechter en zei: “Heb je de detective gezien?”
Schim antwoordde niet, maar hij polijstte zichzelf tot een perfecte, diepzwarte vorm. Hij besloot dat de luchtarchitectuur, met af en toe een praatje over filosofie, eigenlijk helemaal niet zo’n slechte droom was om in te blijven hangen.
